Didactische uitgangspunten van TPRS

Begrijpelijke input

Er bestaat inmiddels brede consensus dat het krijgen van veel rijke, begrijpelijke input de belangrijkste voorwaarde is voor de taalverwerving. TPRS biedt de docent handvatten waarmee hij/zij werkelijk kan voorzien in veel input, die voor alle leerlingen begrijpelijk is en bovendien zeer veelvormig is. De input is grotendeels narratief en bevat veel dialogen, in eerste instantie vooral tussen personages in de verhalen als tussen docent en leerlingen, later ook tussen leerlingen onderling.

Herhaling

Waar alle onderzoekers een taaldidactici het over eens zijn, is dat er veel herhaald moet worden. Over het aantal benodigde herhalingen bestaat nog verschil van mening. Vaak wordt gesproken van 5-15 of van 7 herhalingen. Deze aantallen komen uit psychologisch onderzoek en betreffen het bewust onthouden van informatie. Aangezien TPRS streeft naar fluency, waarvoor het bliksemsnel, onbewust en automatisch ophalen van taalinformatie noodzakelijk is, gaat TPRS ervan uit dat er veel méér herhalingen nodig zijn dan de eerder genoemde aantallen. Het aantal kan, afhankelijk van de woordsoort, mate van markering  en betekenis en emotionele lading van individuele woorden, variëren van 1 tot 150 of zelfs meer.

Complexe taaltaken

Spreek- en schrijftaken zijn binnen TPRS per definitie complex en ongeleid, want gericht op natuurlijk, flexibel en communicatief taalgebruik. Het in vele varianten vertellen en herstructureren van verhalen vraagt op ieder niveau een flexibele taalbeheersing en hogere cognitieve vaardigheden zoals structureren en argumenteren. Door de vele herhalingen in de input die aan deze taken vooraf gaat, zijn leerlingen in staat deze complexe taken daadwerkelijk uit te voeren.

Betekenisgrammatica

Volgens recente inzichten uit onderzoek in cognitieve linguïstiek bestaat grammatica in onze hersenen niet in de vorm van regels, maar generalisaties. In het brein maakt ieder woord onderdeel uit van velerlei netwerken, waarin semantische en grammaticale eigenschappen met elkaar verbonden zijn. Bij het verwerven van onze moedertaal krijgt het brein voldoende begrijpelijke input (tot het 6elevensjaar alleen al 20.000 uur) om zelf uit te kunnen puzzelen welke eigenschappen ieder woord heeft en op welke manier er allemaal grammaticaal correcte zinnen samengesteld kunnen worden. In taallessen is er gewoonweg niet voldoende tijd om onze hersens het zelf te laten uitzoeken. Bewustwording en “awareness” van grammaticale elementen blijkt een goede hulp te zijn bij het sneller verwerven van grammaticale correctheid. TPRS kiest ervoor om dit te doen door middel van zeer korte toelichtingen over de betekenis van grammaticale elementen in de context, en het vervolgens stellen van vele, vaak contrastieve, vragen over het betreffende element, steeds wanneer het zich weer voordoet. Dit is een laagdrempelige en voor iedereen toegankelijke (want niet-abstracte) vorm van grammatica-instructie, die zeer effectief is gebleken.

Persoonlijke betrokkenheid

In alle taaldidactiek-handboeken wordt gesproken van de noodzaak om de lesstof voor de leerlingen interessant te maken door een relatie te leggen met de eigen belevingswereld van de leerlingen. TPRS neemt dit letterlijk en maakt de eigen leef- en belevingswereld van de leerlingen tot de focus van de lessen. Enerzijds dragen leerlingen met hun eigen ideeën bij aan de verhalen die in de klas worden verzonnen, en anderzijds voert de docent gesprekken met leerlingen waarbij de docent werkelijke interesse toont en veel dieper doorgaat op het onderwerp dan gebruikelijk. De hoge mate van gedetailleerdheid van informatie die hiermee wordt verkregen (uiteraard alles binnen de grenzen van het betamelijke en met respect voor de grenzen van de individuele leerling) maakt deze gesprekken ook voor de andere leerlingen interessanter dan het enkele feit of iemand een rood of een blauw shirt aanheeft. Bovendien worden alle andere leerlingen consequent actief betrokken bij de “persoonlijke gesprekken”. De voordelen van deze werkwijze zijn onder andere: het levert automatisch het voor deze doelgroep benodigde vocabulaire; leerlingen zijn sterker gemotiveerd wanneer het over henzelf gaat; er worden op natuurlijke wijze andere werkwoordsvormen gebruikt dan bij het narratieve gedeelte.