Mijn eerste jaar met TPRS – door Maika Cheizoo

Alle begin is moeilijk, maar ook leuk en spannend. MaikaCheizoo, een kersverse TPRS-docente, vertelt hoe haar eerste drie maanden met TPRS zijn verlopen. Het is niet altijd makkelijk, maar “wat hebben we een lol gehad!” 

Maika: Mijn eerste seizoen TPRS-lessen zit erop. Ik heb 2 groepen volwassenen (beginnersniveau) 12 lessen lang voorzien van heel veel begrijpelijke input in het Spaans. Daarnaast heb ik in mijn andere vier groepen geprobeerd om TPRS te combineren met de al eerder ingezette ‘gangbare’ methode. Graag vertel ik jullie iets over mijn ervaringen. En ik heb een vraag!

Ik ben zelf erg tevreden over hoe het gegaan is. Ik voel me tijdens de les als een vis in het water met TPRS. Ik vind het heerlijk om een verhaal te vertellen/vragen met veel herhalingen en uitbreidingen en acteurs en ‘props’ en verrassende wendingen. Ik heb heel erg het gevoel gehad dat iedereen alles begreep en heb dat ook vaak gecheckt. Verbeterpunten voor mezelf zijn: consequenter met gebaren werken en langzamer gaan. Wat de gebaren betreft: die schoten er nogal eens bij in en soms kon ik geen goed gebaar verzinnen voor een werkwoord. Ik heb wel gemerkt dat gebaren de cursisten goed helpen. Soms maakte iemand eerst een gebaar voor het Spaans woord eruit kwam.

En nog iets: ik heb vaak niet eerst de doelconstructies uitgelegd, maar begon gewoon met een verhaal vertellen. Ik dacht: die doelconstructies komen vanzelf veel aan de orde. Nu ben ik van mening veranderd. Ik ga in het vervolg wel de doelconstructies eerst verklaren omdat dat ten eerste alweer meer herhalingen oplevert én om mijn cursisten gerust te stellen dat dat het enige is wat ze die les echt hoeven te leren.

Wat ik nog steeds erg lastig vind, is het maken van een goed verhaal. Ik heb veel inspiratie geput uit ‘Todo junto’ en ‘Look I can talk’ maar ben wel tot de conclusie gekomen dat een goed TPRS-verhaal aan veel criteria moet voldoen: aansluiten bij de belevingswereld en het niveau van de taalleerders, een goede mix van bekende en nieuwe woorden, een grappige/absurde verhaallijn met liefst verschillende locaties, niet te lang en natuurlijk ook grammaticaal correct en er is vast nog iets wat ik nu over het hoofd zie.

Ik ben ook erg tevreden over wat mijn cursisten al allemaal weten en begrijpen, maar nog niet over wat ze al kunnen spreken. Geduld was hier het toverwoord, toch? En ook: wat hebben we een lol gehad!

Bij de twee TPRS-beginnersgroepen heb ik een deel van de laatste les gebruikt om te evalueren. Bij de maandagavondgroep was het eerste wat iemand zei (een zeer begaafde cursiste!): “ik heb het stampen gemist en ook een boek waarin ik vast wat vooruit kon blikken”. Oeps! Gelukkig vertelde ze daarna dat ze wel erg veel geleerd had, maar nog niet veel kon praten. Dat werd algemeen herkend en beaamd. Iemand anders had het werkwoorden vervoegen gemist maar gaf meteen ook aan dat men niet TE hoge verwachtingen moest hebben en dat er al heel veel geleerd was. Iemand anders was zeer tevreden omdat heel lang geleden opgedane basiskennis met deze methode heel snel was terug gekomen. Een jongedame uit 6VWO vond het erg fijn dat ik af en toe ook Nederlands sprak en dat alles zo helder vertaald werd. Dat vond ze op school namelijk zo vervelend dat ze de helft van de les in een vreemde taal niet verstond. Op mijn vraag over de vele herhalingen tijdens de lessen (te veel? te weinig?) was iedereen daar tevreden over met uitzondering van één (zeer taalvaardige, met afgeronde studie Turks) jongedame die het soms wat teveel vond. Dat had ze zelf opgelost door thuis de leestekst niet te vertalen zodat er tijdens de les meer uitdaging was voor haar. Het werken met acteurs vond iedereen erg leuk. De algemene tendens was dat men tevreden was en veel geleerd had maar nog niet veel kon praten.

In de woensdagochtendgroep was die laatste conclusie hetzelfde: veel geleerd maar het praten is nog lastig. Verder: ‘zoveel plezier, hele prettige methode, heel gezellig’. Een gepensioneerde huisarts zei dat hij de charmes van andere talen weer had gevonden. Hij vond het vervelend om een maand geen les te krijgen (!), want hij ging elke woensdag met veel plezier naar de les. Hij las nu ANWB (hoe en wat in het Spaans) boekjes en kon ze begrijpen. Andere uitspraken van cursisten: “de methode is drempelverlagend, makkelijk te consumeren” en “plezier is een belangrijke factor”.

Dan nog iets over mijn andere groepen waarin ik getracht heb een combi te maken van TPRS en een andere lesmethode. In die groepen heb ik een paar verhalen verteld en de daarbij horende leesttekst behandeld, en verder uit de boeken gewerkt. Dat is me helemaal niet bevallen! De methodes zijn zó verschillend, dat ik het jaar geëindigd ben met alleen nog maar uit de boeken werken omdat me dat minder voorbereidingstijd kostte. Maar wat gebeurde er? In twee groepen waren de cursisten niet tevreden. Door die paar verhalen die ik met ze gedaan heb, zijn ze zo enthousiast geworden dat ze met TPRS door willen. Nou ja, en nog een beetje uit de boeken, maar dat doen ze dan voornamelijk zelf met enige sturing van mijn kant. Daar ben ik erg blij om.

En dan de vraag. Het mantra van TPRS: stop er zoveel mogelijk begrijpelijke input in, dan komt er vanzelf een keer spreektaal uit rollen. Daar ben ik inmiddels wel van doordrongen. Maar valt er iets te zeggen over een termijn? Kunnen jullie, met jullie ervaring daar iets over zeggen? Wanneer gaan ze praten?

Na 9 jaar onvrijwillige Spaanse input…

Hoe 9 jaar onvrijwillige begrijpelijke input toch een groot effect kan hebben. Wat begon als een experiment (“zou ik gewoon Spaans kunnen gaan praten met mijn kinderen?”) werd een gewoonte. Mijn kinderen spreken geen Spaans terug, maar zoveel input kan gewoon niet zonder gevolgen blijven.

Op een goede dag, 9 jaar geleden, besloot ik om voortaan een dag per week Spaans te praten tegen mijn kinderen. Met mijn jongste – toen 2 jaar – op schoot had ik een Spaanse variant bedacht op een Nederlands kinderliedje. Hij was er net zo blij mee als met het Nederlandse liedje! Dus dacht ik: als ik gewoon Spaans tegen hem ga praten, dan vindt hij dat misschien net zo gewoon.

Nu had ik ook nog twee oudere kinderen, op dat moment 5 en 7 jaar oud. Zij moesten er natuurlijk ook aan geloven, en vanaf dat moment sprak ik iedere woensdag alleen nog maar Spaans. De verschillen waren enorm: de tweejarige gaf geen sjoege, en was net zo blij als altijd. De 7-jarige luisterde aandachtig, interpreteerde de context waarin ik dingen zei en begreep daardoor wel ongeveer wat ik bedoelde. De 5-jarige zat er net tussenin: te jong om analytisch te kunnen luisteren, te oud om gewoon met de stroom mee te gaan. Die arme 5-jarige heeft een half jaar lang iedere woensdag een heftige strijd geleverd met haar moeder: “zeg het nou gewoon in het Nederlands!” Maar het grote nadeel van een moeder die ineens een bepaald principe heeft: de kinderen lijden daaronder. De moeder overigens ook 🙁

Nu is het 9 jaar later. Al 8,5 jaar spreek ik drie dagen in de week Spaans. De kinderen hebben niet eens meer door of ik Nederlands of Spaans spreek. Soms vragen ze: “Praat je eigenlijk nog wel eens Spaans?” Zelf vertikken ze het overigens om Spaans terug te praten – ze blijven hardnekkig in het Nederlands antwoorden. Maar met haar heilige overtuiging dat begrijpelijke input toch leidt tot taalverwerving, is de moeder stug blijven volhouden. En hee, wat leuk. De oudste, inmiddels 16, begon op een goede dag de lol ervan in te zien een taal te kunnen spreken die de omstanders niet verstaan. En heeft vervolgens een hele dag aangenaam in het Spaans lopen keuvelen met zijn moeder. Die natuurlijk net deed alsof dat heel normaal was (maak vooral nooit ophef over iets wat een puber doet) en alleen vanbinnen liep te juichen.

De tweede, inmiddels 14, heeft Spaans op school. Ze moppert altijd hevig dat ze ‘eigenlijk helemaal geen Spaans kan, want ik moet altijd alle woorden opzoeken en kan nooit bedenken hoe je iets in het Spaans zegt”. Deze week moest ze voor school een opstel schrijven over de ontdekking van Latijns Amerika. Of ik het even wilde nakijken. Ik las de tekst door. Een prima tekst, hier een daar kon een dingetje net iets beter. Maar eerlijk gezegd had ik in eerste instantie helemaal niet door hoe bijzonder dit was. Tot ik bij het gedeelte kwam dat haar klasgenote had geschreven, en waar ineens niets meer van te begrijpen was omdat het Nederlandse zinnen waren met Spaanse woorden. Toen pas begreep ik dat ik hier het ultieme bewijs onder ogen had van de kracht van begrijpelijke input. Natuurlijk had ze allerlei woorden moeten opzoeken. Maar in het woordenboek staan altijd meerdere keuzes, en zij koos de woorden ‘die het beste klonken voor deze zin’. En vervolgens maakte ze met die woorden SPAANSE zinnen! Goed lopende, grotendeels correcte Spaanse zinnen. Geen greintje Nederlands klonk er in door! De tranen sprongen me in de ogen (maar ik hield me in, want je moet nooit huilen over iets fantastisch dat een puber doet).

Dit is een van de prachtigste voorbeelden die ondersteunen wat ik altijd tegen cursisten en mensen in workshops zeg: TPRS is geen methode om ‘sneller’ een taal te leren. Voor het verwerven van een taal is tijd nodig. En voor het opbouwen van een groot vocabulaire ook. Maar TPRS, of in dit geval ‘gewone’ begrijpelijke input, maakt leerlingen en cursisten lenig in de taal. Het maakt dat ze met de weinige woorden die ze kennen, of met woorden die ze hebben opgezocht, goede zinnen kunnen vormen. Het maakt dat ze kunnen horen of het ‘goed klinkt’.

Ik zou heel graag meer van dit soort voorbeelden lezen, groot of klein. Heb jij zoiets meegemaakt met een leerling of cursist? Schrijf je ervaring dan alsjeblieft hieronder!

Ordeproblemen in een volwassenengroep!

Je bent nooit te oud om te leren, dus ook nooit te oud om toch nog last te krijgen van ordeproblemen in je les, zelfs al geef je les aan volwassenen. Wat ging er mis? En is het gelukt om er iets aan te doen? Je leest het hier.

Ordeproblemen? Daar had ik nog nooit van gehoord. Ik geef vooral les aan volwassenen, en af en toe aan een loslopende puber, die zonder peer group om zich heen zo mak is als een pas geschoren schaap. Geen typische situaties voor klassenmanagement. Maar je bent nooit te oud… dus nu was ik dan toch aan de beurt. In een groep 50-plussers, nota bene!

In deze groep welwillende mensen bevindt zich een heel aardige mevrouw met psychiatrische problemen. Die uiten zich in de les door verwarring, onverwachte lachbuien en vooral heel veel aandacht vragen: vragen stellen over zaken die niets met de les te maken hebben, van de gekste woorden een vertaling willen, voortdurend van alles over zichzelf vertellen, liefst vijf keer hetzelfde verhaal, in zichzelf praten, niet meedoen met activiteiten en daar dan weer uitgebreid het excuus voor willen vertellen, enzovoort.

Vorige week liep de les hierdoor helemaal de mist in. De andere cursisten wierpen blikken-die-konden-doden naar de cursiste in kwestie, en bemoedigende of zelfs medelijdende blikken op mij. Ikzelf stond tegen het eind van de les met een rood hoofd te sputteren en probeerde me als een drenkeling vast te houden aan de reddingsboei van mijn verhaal. Dit kon duidelijk niet langer zo doorgaan.

Ik heb dagenlang lopen broeden op wat ik nou verkeerd had gedaan en hoe ik dit gedrag verder in goede banen kan leiden. Nu had ik onlangs een masterclass Klassenmanagement gevolgd, die werd gegeven door Joyce van Ruiten. Zij maakte bij binnenkomst van de cursisten, of eigenlijk al vóórdat we binnenkwamen, duidelijk dat een heel groot deel van ordeproblemen voorkomen kan worden door proactief op te treden. Dat wil zeggen dat je van tevoren precies moet beslissen welke procedures (regels/afspraken) je hanteert en dat die ook voor iedereen glashelder zijn. Joyce gaf ons een flink aantal heel bruikbare, praktische technieken mee, maar voor mij was dit nu de belangrijkste: van tevoren beslissen wat ik wel en niet zou accepteren.

Ik heb, misschien doordat ik enig kind ben, nooit goed geleerd om géén aandacht te geven aan iemand die daar om vraagt. Ik kan me daar moeilijk voor afsluiten, dus als iemand tegen me praat, luister ik áltijd. Dat gaat meestal goed, behalve in zo’n situatie als ik hierboven beschreef. Ik heb dus voor mezelf moeten beslissen op welke pogingen tot aandachttrekkerij ik NIET zou ingaan. “Ha,” hoor ik jullie denken, “dat zou tijd worden dat je dat eens leert. Moet je eens bij mij in de klas komen lesgeven.” En daar hebben jullie helemaal gelijk in.

Uiteindelijk heb ik het opgelost door twee “regels” in te stellen. Regel 1: er mag alleen Spaans gesproken worden in de les (behalve wanneer ze iets voor mij moeten vertalen of een vraag hebben). Regel 2: op vragen die geen betrekking hebben op de lesstof ga ik niet in.

En, tadaaa: doordat ze alleen Spaans mogen spreken zijn alle verhalen over het leven van deze mevrouw in de kiem gesmoord. Ik hoef nergens meer op in te gaan, of verhalen af te breken. Het enige wat ik hoef te doen is zeggen: “no holandés”, en doorgaan met mijn les. En doordat de vragen alleen op de les mogen slaan, wordt het aantal vragen dat ze kan stellen met 90% verminderd.

Nu is het nog een kwestie van handhaven (klinkt simpeler dan het is) en ondertussen werken aan een goede relatie met deze mevrouw en met de andere cursisten. Het is nog steeds niet mijn gemakkelijkste groep, maar ik lig naderhand niet meer als een uitgewrongen dweil over mijn stoel.

Ik besef dat ik hier niets nieuws vertel – dit is een verhaal tussen vele anderen, en deze ervaring heeft ervoor gezorgd dat ik nóg meer bewondering heb voor docenten die dag in, dag uit lesgeven aan groepen die moeilijk zijn aan te sturen. Maar het belang van vooraf keuzes maken en deze helder aan de klas overbrengen heeft ook wel indruk op me gemaakt, daarom wilde ik het toch hier delen. En ik ben heel benieuwd: wat doen jullie in dit soort gevallen?

Kirstin

Een prijs voor salto’s

Een prijs voor salto's

Creativiteit vind je op de gekste plaatsen. Kirstin Plante beseft dat ze op het gebied van creatieve associaties nog veel kan leren van achtjarige jongetjes.

Volwassen mensen betalen grif geld voor dure cursussen om te leren wat een kind van rond de acht jaar zomaar uit zichzelf doet. Zie een kleurig koffietentje in Leeuwarden. Op tafel staat een kaartenhouder met een aanbeveling van koffie met appelgebak erin. Een jongetje van acht haalt het kaartje eruit en bestudeert de spiraalvorm van het houdertje. “Dit zou ook een prijs kunnen zijn”, zegt hij, en mijmert verder: “een prijs voor mensen die salto’s kunnen maken, kijk maar.” Zijn vinger glijdt over de spiraal en toont aan waarom dit zo’n goede prijs voor salto’s makende mensen zou zijn.

Ik kijk toe en besef dat dit creativiteit is: connecties zien waar niemand anders ze ziet, mogelijkheden en verhalen vinden in dagelijkse dingen. Dit is ook de manier van denken die we in TPRS proberen te bevorderen bij onze leerlingen, en niet in de laatste plaats bij onszelf. Dit is de manier van denken waardoor verhalen écht verrassend worden. Ik dacht van mezelf, na jaren TPRS, dat ik al best wat leuke gedachtensprongen kon maken. Maar sinds het koffietentje weet ik dat ik nog veel moet leren. Ik begin meteen: “Hee, een gaatjesprikker. Dat zou ook een … kunnen zijn!”

Wie heeft een leuk idee?