TPR en TPRS

Irma Verest-Schut schreef voor de Postbachelor opleiding docent NT2 een eindexamenwerkstuk over TPR Storytelling en de voorloper ervan, TPR. Daarna besprak ze de TPRS-methode voor Nt2, Het Hele Verhaal. Hieronder vind je het algemene gedeelte van haar werkstuk, dat met haar toestemming hier is gepubliceerd. Het gedeelte over Het Hele Verhaal kun je hier lezen.

Inleiding TPR

Tijdens de opleiding kwam ik in aanraking met de taalleermethode TPR (Total Physical Response). Dit sprak mij aan, omdat het zo afwijkt van de huidige, schoolse methoden. Het is een methode die op “speelse” wijze een nieuwe taal aanleert. Lekker praktisch, dat past bij mij. Ik ben mij hierin gaan verdiepen en kwam erachter dat er twee verschillende methoden zijn, nl: TPR en TPRS. TPR staat voor Total Physical Response en TPRS  staat voor: Teaching Proficiency through Reading and Storytelling. Het is in de praktijk van het lesgeven ontwikkeld door de Amerikaan Blaine Ray, nadat hij diverse jaren met TPR  had gewerkt en daar de voordelen, maar ook de grenzen van had leren kennen. Het wordt wereldwijd door duizenden docenten gebruikt en in Nederland zijn de eerste pioniers inmiddels ook begonnen TPRS in de taallessen te gebruiken.

Een verhaal “vragen”, daar draait het om in de huidige vorm van TPRS. Het is anders dan het bekende TPR, ofwel Total Physical Response: het voorprogramma voor echte beginners van een nieuwe taal.

Hieronder geef ik eerst een korte uitleg van TPR, omdat dit het feitelijke voorprogramma is van TPRS en zodat het verschil tussen de twee werkvormen meer duidelijk wordt.

James J. Asher, psycholoog aan de San José State University in Californië, deed onderzoek naar het gebruik van commando’s en actie in het taalonderwijs. Hij ontdekte dat dit buitengewoon effectief was en noemde zijn benadering Total Physical Response (TPR). Kort daarna ontdekte hij dat dit al eerder was uitgevonden door de Engelsman Harold E. Palmer in de jaren 20 van de vorige eeuw.

De reden dat er vaak begonnen wordt met TPR is dat er daarbij nauwelijks vertaald hoeft te worden en verwerkingstijd feitelijk geen problemen geeft, omdat er een commando gegeven wordt en dit altijd voorgedaan wordt. Het is daardoor mogelijk met TPR in hele korte tijd en heel eenvoudig een  flinke hoeveelheid vocabulaire en structuren aan te leren. Met TPR worden woorden onderwezen die onmiddellijk door de leerlingen begrepen wordt als ze deze uitgebeeld zien.

Ik citeer James Asher die uitlegt waarom TPR leidt tot lange-termijnretentie:

Mijn hypothese is dat begrijpelijke input die zeer aannemelijk is in het lange-termijngeheugen wordt opgeslagen. Dit in vergelijking met korte-termijnretentie van input die weinig aannemelijk is. Total Physical Response werkt omdat het zeer aannemelijke begrijpelijke input is, doordat we persoonlijke ervaringen creëeren voor de leerlingen. (1996: blz. 3-67).

Een ander oorzaak van het verkrijgen van lange-termijnretentie is volgens Asher dat “het kinetisch-zintuiglijke systeem bij het oorspronkelijke leren steeds geactiveerd werd, d.w.z. het ‘spier-leren’”.

Door het gebruik van je spieren kun je je dingen herinneren. Wanneer je vroeger hebt leren fietsen en dit 20 jaar niet meer gedaan hebt, kun je toch zo weer op je fiets stappen en weg fietsen. Dit geldt natuurlijk ook voor andere sporten en motorische vaardigheden. De basisherinnering bestaat jaren later nog steeds.

TPR wordt echter maar voor korte tijd, aan het begin van het eerste jaar, toegepast. De redenen hiervoor zijn:

  1. De gebiedende wijs slijt in bij de leerlingen wanneer deze voor te lange tijd exclusief gebruikt wordt.
  2. De woorden die aangeleerd worden met TPR zijn maar enkele van de meest frequente woorden van een taal.
  3. Asher heeft er zelf op gewezen dat er na langdurige toepassing van TPR “adaptatie”optreedt. De nieuwigheid gaat er af en de cursisten willen er niet langer mee doorgaan. (Blaine Ray & Contee Seely)
    In TPRS worden daarentegen wél de meest frequente woorden onderwezen.

Inleiding TPRS

TPR en TPRS worden gebruikt om vloeiend taalgebruik in de klas te verkrijgen. Ray & Seely hebben als uitgangspunt dat het voortdurend leveren van repetitieve, interessante begrijpelijke input de beste manier is om dit te doen.

TPRS maakt gebruik van een vragentechniek waarbij steeds andere vragen worden gesteld. De cursisten moeten dus steeds alert blijven om het goede antwoord te kunnen geven. Het voortdurend variëren van de input en het begrijpelijk houden ervan, is dus van essentieel belang om de cursisten ertoe te brengen écht naar de taal te luisteren.

Herhaling speelt een belangrijke rol om ervoor te zorgen dat de input ook werkelijk beklijft. Zoals gezegd wordt dit bewerkstelligd door middel van vragen stellen. Hier kunnen we aan toevoegen dat na iedere vraag ook het antwoord herhaald wordt. B.v.: “Hoe heet de moeder? (Maria). Inderdaad, de moeder heet Maria.”

De grote kracht van TPRS is dat het de repetitieve begrijpelijke input aanbiedt in de vorm van (persoonlijke) verhalen. Dit heeft te maken met de manier waarop onze hersenen informatie opslaan. Ons brein zoekt altijd naar een context om nieuwe informatie aan te koppelen, zodat we de informatie beter onthouden. We onthouden ook beter als het op ons persoonlijk betrekking heeft of als er sterke emoties aan verbonden zijn.

TPRS speelt in op al deze geheugenversterkende elementen door verhalen te gebruiken om context te genereren en door de cursisten persoonlijk te betrekken bij de verhalen. Deze verhalen zijn, waar mogelijk, doorspekt met humor, overdrijving en persoonlijke interesses van de cursisten. De cursisten leveren dus een substantiële bijdrage aan de totstandkoming van ieder verhaal. (tijdschrift LES 166 sept. ’10)

In de methode TPRS streeft de docent vloeiendheid bij de cursist na. Taalvaardigheid zonder haperen, vloeiend leren spreken, lezen en ook schrijven.

TPRS wil binnen NT2 een zinvol alternatief bieden voor het werken met vaste cursussen en kant-en-klare handboeken. Men wil zoveel mogelijk uitgaan van de belevingswereld van de cursist. (tijdschrift LES 192 dec. ’14)

TPRS maakt gebruik van de kracht van verhalen en lezen en TPR van de kracht van fysiek ”doen” en ze spreken beide meerdere intelligenties aan (Meervoudige Intelligenties). Beide benaderingen zijn daarmee een breinvriendelijke manier van taalverwerving.

Hieronder zal ik uitgebreider ingaan op de basisprincipes en basistechnieken van TPRS.

Basisprincipes en basistechnieken van TPRS

Herhaling is de moeder van het leren.

Hoe kun je veel herhalen en de les toch interessant en begrijpelijk houden? Er zijn effectieve manieren hiervoor ontwikkeld. Hieronder een opsomming van de belangrijkste technieken van TPRS.

  1. Beperk de input, met name de grammaticale elementen en de woordenschat. Ieder nieuw item wat geïntroduceerd wordt, wordt gegeven met de betekenis. Onnodige items worden buiten beschouwing gelaten.
  2. Controleer regelmatig of de informatie begrepen is.
  3. Waneer er twijfel is over de betekenis of er iets onduidelijk is, begin dan meteen met verduidelijken.
  4. Grammaticale onderwerpen in hun context direct in de moedertaal verklaren. In principe wordt grammatica niet uitgelegd waneer daar geen concrete aanleiding voor is.
  5. De TPRS-procedures worden in de moedertaal uitgelegd.
  6. Verwante woorden en vertalen wanneer de betekenis niet duidelijk is voor de cursisten.
  7. Houd een rustig spreektempo aan, zodat het voor alle cursisten te volgen is.
  8. Zorg er steeds voor dat de les niet te snel gaat voor de leerlingen.
  9. Laat alles wat wordt gelezen, door één of meerdere leerlingen mondeling vertalen.
  10. Ga niet direct verbeteren wanneer cursisten mondeling fouten maken.

Om te zorgen voor voldoende mondelinge herhalingen worden de volgende technieken gebruikt:

  1. “Het verhaal vragen”, in plaats van vertellen.
  2. “Cirkelen”, het stellen van series gevarieerde vragen over een specifiek feit in het verhaal.
  3. Gebruik verschillende soorten vragen, zoals ja/nee, en/of en waarom vragen.
  4. Blijf interessante vragen stellen, totdat de cursisten de stof begrijpen zonder deze te hoeven vertalen in hun hoofd.
  5. Voeg nieuwe details toe aan een zin.
  6. Stel “verticale vragen”: de cursisten voegen steeds meer specifieke details toe aan het verhaal (denk aan kleur, vorm, naam, enz.).

De drie stappen van TPRS

  1. Het vaststellen van betekenis: De betekenis wordt dmv. vertaling vastgesteld, omdat dit snel en duidelijk is. Ook worden er gebaren, foto’s, tekeningen en andere ondersteunende middelen gebruikt, omdat dit helpt een betekenis sneller te verwerven. Het doel is zo duidelijk mogelijk te zijn.
  2. Het vragen van een verhaal: Een verhaal vragen vereist een antwoord. Door het beantwoorden van een vraag is meteen duidelijk of de vraag begrepen is. Ook kunnen er steeds repetitieve vragen gesteld worden. Dezelfde zin/structuur kunnen gebruikt worden doordat de vragen op verschillende manieren gesteld worden. Er worden steeds nieuwe details toegevoegd, zodat er nog meer herhaald kan worden, zonder dat er nieuwe woorden gebruikt worden. De details zijn vaak persoons-, merk- of plaatsnamen.
    Het verhaal dat gevraagd wordt speelt zich af op drie locaties. Op de eerste locatie wordt een probleem geïntroduceerd dat kan worden opgelost. Op de tweede locatie wordt het probleem niet opgelost. Het probleem wordt veranderd of er wordt informatie gegeven waarom het probleem niet opgelost wordt. Op de derde locatie wordt het probleem opgelost. Door deze manier van werken wordt er steeds opnieuw naar het probleem gekeken en wordt het mogelijk om veel herhalingen in te brengen. 
  3. Lezen en bespreken: Er wordt een alinea vertaald, de feiten die in de alinea voorkomen worden bevraagd, er worden extra details aan het verhaal toegevoegd en er wordt een parallel verhaal gemaakt. 

Andere kenmerken van TPRS

Een belangrijk principe van TPRS is dat in het begin fouten niet verbeterd worden. De fouten worden niet benoemd, maar verbeterd door hun uitspraak correct te herhalen.

Ook worden er geen grammaticaregels gegeven. Toch wordt er wel grammatica onderwezen. Grammatica wordt niet van tevoren uitgelegd, maar pas aangeboden op het moment dat elementen zich voordoen.

Het is belangrijk om steeds voeling te houden met de groep. Heeft iedereen je begrepen? Let op de langzame leerders. Hebben zij ook begrepen wat je zegt? In het boek wordt dit een barometerleerling genoemd. Geef de leerlingen iets in handen, b.v. een teken, gele, rode of groene kaart, wanneer je te snel spreekt en/of iets niet begrepen wordt. Het is van groot belang te weten wanneer er begripsproblemen zijn. Je verliest de groep als een aantal je niet meer begrijpen.

Hang lijstjes van bepaalde woorden met hun vertaling voorin je lokaal op. De vraagwoorden moeten de leerlingen b.v. kennen om de les te kunnen volgen. Deze moeten dus altijd geraadpleegd kunnen worden.

Cirkelen

Cirkelen is een basisvaardigheid van TPRS. Hierbij worden repeterende vragen gesteld.

  1. Begin met een positief statement.
  2. Stel een vraag waar “ja” op geantwoord moet worden.
  3. Stel een of-vraag.
  4. Stel een vraag waar “nee”op geantwoord moet worden.
  5. Herhaal het ontkennende antwoord en daarna het bevestigende antwoord.
  6. Stel vragen met wie, wat, waar, wanneer,
  7. Voeg een detail aan de zin toe. Je krijgt hierdoor een nieuwe zin, waardoor je weer opnieuw kan gaan cirkelen.

Bij TPRS wordt er lesgegeven op gevoel. Je moet leren aanvoelen wanneer meer herhaling nodig is. Het cirkelen helpt trage verwerkers om de informatie sneller te verwerken. Het cirkelen houdt pas op wanneer de cursisten automatisch de taal verwerken (dus zonder te vertalen) .

Er zijn altijd twee redenen waarom gecirkeld wordt:

  1. Om een nieuwe structuur te oefenen.
  2. Om de verwerkingstijd te verkorten.

Hieronder een schematische weergave van hoe het cirkelen eruit ziet.

Wanneer je nl. een nieuw detail hebt toegevoegd, ga je weer terug naar de beginsituatie en begin je opnieuw met cirkelen. Je doet dus steeds een stapje vooruit en een stapje terug.

 

Het belang van lezen binnen TPRS

Een belangrijk onderdeel van TPRS is lezen. Alle TPRS boeken hebben (aanvullende) leesverhalen. Ongeacht welk verhaal je leest en bediscussieert, worden er vier stappen beschreven voor het leesproces.

  1. Vertaal per alinea. De reden hiervan is dat je de discussie gefocust houdt.
  2. Stel vragen over de feiten van het verhaal. Feiten kunnen niet veranderen.
  3. Niet alle informatie over het verhaal staat in de tekst. Het is “mijn” verhaal en je begint informatie toe te voegen.
  4. Bouw een parallel verhaal dat gaat over een leerling in de klas.

De mogelijkheden zijn oneindig bij het parallele verhaal. De enige beperking is je eigen fantasie.

De cursisten kunnen al vroeg lezen als hen materiaal wordt aangeboden dat op hun niveau is en interessant is. Lezen wordt, in combinatie met vreemde talen leren, al lang gebruikt, maar voor de TPRS is dit nog vrij nieuw. Het nut van het lezen werd lange tijd niet onderkend, deels door een gebrek aan interessante materialen voor beginners. Om te voorzien in deze behoefte zijn ze eigen leesboekjes gaan schrijven en uitgeven.

Je kunt het lezen inzetten wanneer tenminste 75% van de woorden gekend zijn. Bij zelfstandig lezen moeten ze tenminste 90% van de woorden kennen.

Het hoofddoel van het lezen is het lezen in de doeltaal aangenaam te maken. Veel en vaak lezen heeft vele voordelen. Er wordt een grotere woordenschat verworven en de structuur, morfologie (verbuigingen) en idioom worden opgepikt.

Uit onderzoek en ervaring is gebleken dat het lezen van jeugdromans het meest efficiënt, effectief en bevredigend is. Daarnaast pleitten Krashen en Terrell (1998) en de ervaring van de auteurs ervoor dat vocabulaire sneller wordt verworven als lezers nauwelijks onbekende woorden opzoeken.

Schrijfvaardigheid in het TPRS-curriculum

Spreek- en schrijftaken zijn complex en ongeleid bij Storytelling. Ze zijn gericht op spontaan, natuurlijk taalgebruik.

Eenmaal per week moeten de leerlingen een stukje “snelschrijven”. Ze komen de klas binnen en beginnen te schrijven. Vijf minuten wordt er geschreven aan de hand van een opdracht. Ze schrijven zoveel mogelijk woorden op en blijven schrijven tot het tijd is om te stoppen. Er wordt niets nagekeken of verbeterd. Het doel voor de docent is om te weten hoeveel taal ze kunnen produceren in een gegeven tijdsbestek en om vloeiend taalgebruik te beoordelen.

Een andere opdracht is “rustig schrijven”. De cursisten krijgen 10-12 minuten om een verhaal of opstel te schrijven. Nu wordt er wel nagedacht over grammatica of woorden. Ze kunnen hierover vragen stellen of het benodigde opzoeken. De zinnen moeten zo correct mogelijk geformuleerd worden, terwijl er nog steeds een minimum aantal woorden moet worden geproduceerd.

Het nakijken is alleen gebaseerd op het aantal woorden dat de cursist geschreven heeft. Beginnende cursisten moeten 20 tot 40 woorden hebben om een voldoende te krijgen en meer dan 40 is een goed. Onderzoek heeft aangetoond dat het verbeteren van fouten weinig of geen blijvend effect heeft op de resultaten van de leerlingen. Fouten verbeteren in opstellen levert geen winst op in de taal.

Toetsen en TPRS

Na ieder hoofdstguk wordt er onaangekondigd een woordenschatproefwerk gegeven.

Dit is een bewuste keuze, omdat op deze manier getoetst wordt wat de cursisten daadwerkelijk weten (lange-termijnkennis) in plaats van wat ze de avond tevoren geleerd hebben (korte-termijnkennis).

De eindtoets van het eerste jaar bestaat uit vertaling van vocabulaire (doeltaal-moedertaal). Het is aan de docent zelf om te bepalen of je op deze manier wil toetsen of dat je dat op een andere manier doet.

Auteur: Irma Verest-Schut

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *